[Vervolg]
Met een kloppend lid en een flinke fles Jameson onder mijn arm begaf ik mij richting de housewarming van Michael Deng. Het feestje was in de buurt van de Goudsesingel, maar om niet als eerst aan te komen besloot ik te gaan lopen door de binnenstad. En dacht onderweg na over de mythische vrouw die ik had ontmoet. Kreeg ik wel een uitnodiging om haar te bewonderen? Of schrok ze zelf van die welgemeende aandacht? Die wezenlijke wellust, gebaseerd op haar schoonheid? Wordt een mythische vrouw niet minder mythisch als je haar probeert te veroveren? Of daadwerkelijk verovert? Ben je een schurk als je de mythe van een vrouw ontkracht, verkracht? Ben ik een schurk? Natuurlijk niet, bedacht ik opeens. Ik heb zojuist een van de mooiste vrouwen gezien van mijn leven, en het is normaal dat je daarvan onder de indruk bent. Daarop rechtte ik mijn rug en voelde ik een spoortje koud zweet mijn rug afglijden. Mijn benen begonnen opgezweept door deze gedachten harder te lopen, waardoor ik alsnog exact om vijf uur aanbelde. Voordat de deur openging, rook ik maar aan mijn overhemd. Het rook zoals verwacht naar zweet. Maar nog niet heel ernstig, want de geur van mijn aftershave vocht om zijn plek niet zonder slag of stoot op te geven. Ik voelde me gered, maar ik kon niet weten dat het niet mocht baten.
Michael Deng deed, zoals het verwacht wordt van een gastheer, zelf open en omhelsde me hartelijk. Na de gebruikelijke beleefdheden werd ik binnengelaten, en ontving ik een rondleiding door zijn nieuwe paleis. Eenmaal terug in de woonkamer, bood ik hem de fles aan. Volkomen verrast, althans zo deed hij het overkomen, begon hij een relaas over de kwaliteit van Jameson. Ik hoorde amper wat hij zei. Mijn hoofd startte de film van een aantal minuten geleden, precies opgestart bij de aanblik van het lichaam van de mythische vrouw in de tram. Het kostte me de grootste moeite om tegelijkertijd een nieuwe erectie te onderdrukken.
Op de gang hoorde ik plots een wc doorgetrokken worden.
‘Ik ga deze fles even opbergen,’ zei Michael Deng blij als een kind. De schittering in zijn ogen verraadde dat hij zich inderdaad zo voelde. Als een kind die zojuist de piratenschat had gevonden.
De deur ging langzaam open, en alles werd vanaf dat moment een roes. Ik wist niet dat er iemand op de wc was. Dat daar überhaupt een wc was. En vooral, wie er op de wc zat. Want het bleek niemand minder te zijn dan de mythische vrouw uit de tram. Toen ze me in het oog kreeg, bleef ze even staan. Blozend. Glimlachend, en keek van mij naar de laminaatvloer en weer terug. Wederom begon ik te zweten en verloor mijn aftershave het van de zweetgeur. Blijf kalm, probeerde ik mezelf wijs te maken. Die penetrante geur van angstzweet boorde zich in mijn neus. Ik werd erdoor verdoofd, en hoorde amper iets. Ze kwam op me afgelopen en haalde ondertussen haar rode haarlok weer te voorschijn. Ik moest eruit hebben gezien alsof er een douchekop op me stond, en in plaats van water zweet op me spoot. Mijn overhemd plakte aan elk deel van mijn torso en armen. Het laatste wat ik nog bewust meekreeg, was dat ze haar hand uitstak als eerste kennismaking.
‘Ik ben Lana, aangenaam,’ zei ze met een heldere, zwoele stem – zou ze misschien roken? – die mijn rits onder grote druk plaatste door het kloppende natuurgeweld dat er achter schuilging.
‘Ik moet even naar de wc,’ antwoordde ik.
Ik stoof haar voorbij, en deed de gangdeur achter mij dicht. Op de wc ging ik op de wc-pot zitten en begon zwaar te hyperventileren. Wat was er met me aan de hand? Het is een mooie vrouw, meer niet. Ze is geen eng monster, integendeel. Waarom kan ik het niet aan zelfs de meest simpele handeling voor een mens, die van groeten, volbrengen? Daarop begon ik nog meer te zweten, en ging bijna van mijn stokje. De geur die zich door mijn huid een weg naar buiten baande, deed me bijna overgeven. Ik moest naar buiten, en snel ook. Frisse lucht. Ik sprong met laatste krachten op van de wc-pot, opende de deur en liep richting de buitendeur. De deur vloog open, wat bijna resulteerde in een gebroken deurruit. Als een angsthaas vluchtte ik het huis uit, met de staart tussen de benen en op hete kolen. In een roes rende ik de straat uit, om pas een straat verder stil te staan en een taxi te bellen. Ik wilde naar huis, mezelf bezatten en dit voorval – deze dag – vergeten. Verdingen. Verdrinken. Ze stond zelfs bij thuiskomst op mijn netvlies. Ik sloot mijn ogen, maar ook daar zag ik Lana. Ik zag haar zelfs zo goed voor me, dat ik in mijn fantasie de deukjes in haar volle lippen kon tellen. Aanraken. Proeven. Met mijn vingertoppen beroeren. Maar met de ogen open bleek zij er niet te zijn, behalve als schim die door de realiteit die ik voor me zie verschijnt. Moe van het rennen, de hartkloppingen bij haar verschijning en het zweet dat mijn lichaam in vuur en vlam zette en tegelijkertijd als een ijspegel liet aanvoelen, bereik ik mijn bed. Waarop ik neerplof als een stervend dier, afgeschoten wild. Even dringt wederom die penetrante zweetlucht mijn neus binnen, en is dat het laatste wat ik me herinner.
Ik werd twee dagen later – vraag me niet waarom – pas wakker door een knallende koppijn. Zo veel achter elkaar slapen is ook niet goed. Om maar te zwijgen van het voedsel en drinken dat je dan mist. Maar vrijwel nadat ik met moeite opgestaan ben, zag ik haar – Lana – weer voor me. In al haar mystieke schoonheid. En dan heb ik haar nog niet eens naakt gezien. Meteen begon ik weer te zweten en drong de geur ervan tot me door. Ik besefte toen pas dat de geur van dat zweet, angstzweet wel te verstaan, het begin en einde inluidde van mijn binding met Lana, de mythische schoonheid. Ik kon haar niet loslaten en wilde tegelijkertijd niets met haar te maken hebben omwille van haar mythe, om die in stand te houden. En dat ging zo weken door, tot nu. Ik eet amper, slaap dan weer veel, dan weer weinig en zuip me te pletter. Maar de geur van zweet, angstzweet, bleef zelfs na vele douches aan me plakken. Alsof het een merkteken is dat ik gefaald heb in de verovering, gefaald als mens in verhouding tot een ander mens. Dat het falen van mij onlosmakelijk blijft verbonden met haar. Een vloek, dat is ze. Een vloek, maar ook een godsgeschenk. Ik begin bijna gek te worden. Van het denken aan haar, verlangen naar Lana. Smachten naar haar mythe en haar vlees, maar ook afkerig zijn tegelijkertijd. Ik besef me dat ik het al die tijd al had geweten. De geur van het falen is angstzweet. Als het je overkomt, heb je zo goed als gefaald.
M.S.
donderdag 8 juli 2010
De geur van falen[1]
De geur van het falen, of althans dreigen te falen, is zweet. Vies, sterk ruikend zweet. Angstzweet. En dan niet alleen onder de oksels. Nee, dan breekt het angstweet meteen aan allee kanten uit. Behalve op je voorhoofd, dat dan weer wel. Maar de rest van je lichaam heeft de kenmerkende geur van het heetst van de strijd. Zo’n penetrante geur, die je niet snel vergeet. Als een kater blijft hangen.
Met sommige vrouwen is dat niet anders. Ik plaats ze dan ook onder het kopje ‘mythische vrouwen’. Maar dat moet ik misschien aan je uitleggen. Mythische vrouwen, zoals eerder benoemd, kunnen in één oogopslag je blik voor altijd vangen. Zodat je geen kan meer op kan. Zodat wanneer je hen ziet, je adem voor een moment wordt gesmoord. Je compleet opgaat in hun verschijning. Dat hun verschijning dagen, zelfs weken, maanden later nog op je netvlies staat. Je kunt niet eten, drinken of slapen zonder aan haar te denken. Voor je te zien. Dat je een wandeling gaat maken om wat frisse lucht op te snuiven, om te vergeten. Afleiding te hebben. Maar het helpt niets. Je bent verslaafd, zonder de verslaving ooit te zijn begonnen. Of wel, maar je weet het niet meer.
Lana is zo’n mythische vrouw. Zij is degene die op dit moment door mijn hoofd spookt, die ik zoek in de ruit van de bakker. Waar ik eigenlijk naar vraag als ik in de supermarkt de koffie niet kan vinden. Als je me hoort vragen waar de koffie zich bevindt, bedoel ik eigenlijk of mijn droomvrouw hier is geweest. Toevallig. Als ik dan een beschrijving ontvang waar de koffie staat omdat deze verplaatst is, ben ik meer dan teleurgesteld wanneer mijn hand een pak gemalen filterkoffie omklemt. Dat het niet haar wespentaille is, of haar slanke bovenarm waar speels hier en daar een moedervlek opdoemt. Of mijn duim, die zich een weg baant van haar mondhoek naar haar oor. Dat deze lichte aanraking mij al een erectie bezorgt. Zoals ik inmiddels al menig keer in de supermarkt heb gestaan, met de ogen gesloten en een pak gemalen filterkoffie in mijn hand. Om dan uit deze gekmakende fantasie te worden gewekt door een vakkenvuller. Sindsdien heb ik een bloedhekel aan vakkenvullers die zich ergens mee bemoeien. Rot op. Als ik hulp nodig heb, dan roep ik je wel.
Maar Lana dus. Ik zag haar voor het eerst in de tram, onderweg naar de binnenstad, om even een goede fles whisky te scoren. Een goede vriend van mij, Michael Deng mocht het je interesseren, had een nieuwe woning gevonden net buiten het centrum. Mijn plan was om onderweg naar zijn huis een fles drank op te pikken. Om daarna in het bezit van een goedsmakend cadeau zijn housewarming te betreden. Wellicht om de fles whisky diezelfde avond op te drinken, maar dat moest ik nog maar zien.
Ik bevond mij in tram 4, om bij Eendrachtsplein uit te stappen en op de Oude Binnenweg een slijterij te bezoeken. Omdat het voorste deel van de tram er nogal vol uitzag, ben ik achterin gaan zitten. Veel keus was er immers niet. Twee haltes voordat ik uit moest stappen, stopte de tram. Mensen stapten uit, mensen stapten in. We wilden net wegrijden toen Lana opeens de tram langs rende, en naar de chauffeur gebaarde om te stoppen. Waarop de tram abrupt weer tot stilstand kwam en Lana instapte. Ik kon haar niet goed zien, maar wat ik wel zag beviel mij uitermate goed. Waar kom jij vandaan, vroeg ik mij af. Terwijl ze het trapje op liep en langs de conducteur naar de enige plek die nog vrij was, haalde ze een hand door haar lange, golvende donkere haar. Toen zag ik die rode haarlok, die felrode haarlok aan de rechterkant van haar hoofd, voor het eerst. Er ging een rilling over mijn rug, die halverwege mijn rug de voorkant van mijn torso ook omklemde en verder afgleed naar beneden. Om te eindigen bij mijn ballen, die als walnoten in een notenkraker werden vastgeklemd. Vlak voordat ze ging zitten, zag ik meer van haar. Een witte, als het ware satijnen tuniek, die getailleerd was. Aan de randen van de mouwen en de onderkant van dit jurkje zat een marineblauwe streep. Haar linkerschouder was ontbloot, en haar goedgevormde, geproportioneerde borsten en billen balden fier door de kleding heen. Ze keek heel vluchtig doch lang genoeg om mij op te merken. Onze blikken kruisten elkaar, waardoor zij moest blozen en glimlachte ontwapenend. Mijn mannelijkheid reageerde onmiddellijk, alsof zij niet in mijn ogen had gekeken maar naar mijn kruis, en wierp zich meteen op als steigerende dekhengst eersteklas. Ik was verkocht, en verloren tegelijk.
Twee haltes later stapte ik uit, en liep langs de tram richting de Oude Binnenweg. Toen ik haar gepasseerd was, voelde ik haar blik op mijn rug branden. Hoewel ik verschrikt verder wilde lopen, stopte mijn lichaam abrupt. Het zweet brak me aan alle kanten uit, maar voordat ik het wist had ik me omgedraaid en stond ik oog in oog met haar. Weer gaf ze me die ontwapenende glimlach, waardoor ik overmand werd door gêne, geilheid, euforie en diepe schaamte. Schaamte, omdat ik merkte dat ik zo hard zweette dat het niet anders kon dat ik steeds groter wordende zweetplekken onder mijn oksels en op mijn borstkas opliep. Zij bloosde, ik steigerde en werd in diepe verlegenheid gebracht. Mijn god, ik durfde niet te kijken en toch deed ik het. Zelfs toen de tram weer begon te rijden. Zij keek mij na, ik haar. Wat wilde ik haar graag hebben. Liefhebben. Binnendringen. Beminnen en aanbidden. Maar vooral binnendringen, want elk zwaard moet worden opgeborgen in een schede. En de uitnodiging was gegeven. Maar wie ze was, wist ik niet. Of waar ze naartoe ging. Wat ze ging doen. Wat zou er in haar tas zitten? Welke geheimen, fantasieën gaan er schuil achter die lichtbruine kijkers? En waar kan ik me douchen? Ik voel me vies. Kiplekker vies.
[Wordt vervolgd]
Met sommige vrouwen is dat niet anders. Ik plaats ze dan ook onder het kopje ‘mythische vrouwen’. Maar dat moet ik misschien aan je uitleggen. Mythische vrouwen, zoals eerder benoemd, kunnen in één oogopslag je blik voor altijd vangen. Zodat je geen kan meer op kan. Zodat wanneer je hen ziet, je adem voor een moment wordt gesmoord. Je compleet opgaat in hun verschijning. Dat hun verschijning dagen, zelfs weken, maanden later nog op je netvlies staat. Je kunt niet eten, drinken of slapen zonder aan haar te denken. Voor je te zien. Dat je een wandeling gaat maken om wat frisse lucht op te snuiven, om te vergeten. Afleiding te hebben. Maar het helpt niets. Je bent verslaafd, zonder de verslaving ooit te zijn begonnen. Of wel, maar je weet het niet meer.
Lana is zo’n mythische vrouw. Zij is degene die op dit moment door mijn hoofd spookt, die ik zoek in de ruit van de bakker. Waar ik eigenlijk naar vraag als ik in de supermarkt de koffie niet kan vinden. Als je me hoort vragen waar de koffie zich bevindt, bedoel ik eigenlijk of mijn droomvrouw hier is geweest. Toevallig. Als ik dan een beschrijving ontvang waar de koffie staat omdat deze verplaatst is, ben ik meer dan teleurgesteld wanneer mijn hand een pak gemalen filterkoffie omklemt. Dat het niet haar wespentaille is, of haar slanke bovenarm waar speels hier en daar een moedervlek opdoemt. Of mijn duim, die zich een weg baant van haar mondhoek naar haar oor. Dat deze lichte aanraking mij al een erectie bezorgt. Zoals ik inmiddels al menig keer in de supermarkt heb gestaan, met de ogen gesloten en een pak gemalen filterkoffie in mijn hand. Om dan uit deze gekmakende fantasie te worden gewekt door een vakkenvuller. Sindsdien heb ik een bloedhekel aan vakkenvullers die zich ergens mee bemoeien. Rot op. Als ik hulp nodig heb, dan roep ik je wel.
Maar Lana dus. Ik zag haar voor het eerst in de tram, onderweg naar de binnenstad, om even een goede fles whisky te scoren. Een goede vriend van mij, Michael Deng mocht het je interesseren, had een nieuwe woning gevonden net buiten het centrum. Mijn plan was om onderweg naar zijn huis een fles drank op te pikken. Om daarna in het bezit van een goedsmakend cadeau zijn housewarming te betreden. Wellicht om de fles whisky diezelfde avond op te drinken, maar dat moest ik nog maar zien.
Ik bevond mij in tram 4, om bij Eendrachtsplein uit te stappen en op de Oude Binnenweg een slijterij te bezoeken. Omdat het voorste deel van de tram er nogal vol uitzag, ben ik achterin gaan zitten. Veel keus was er immers niet. Twee haltes voordat ik uit moest stappen, stopte de tram. Mensen stapten uit, mensen stapten in. We wilden net wegrijden toen Lana opeens de tram langs rende, en naar de chauffeur gebaarde om te stoppen. Waarop de tram abrupt weer tot stilstand kwam en Lana instapte. Ik kon haar niet goed zien, maar wat ik wel zag beviel mij uitermate goed. Waar kom jij vandaan, vroeg ik mij af. Terwijl ze het trapje op liep en langs de conducteur naar de enige plek die nog vrij was, haalde ze een hand door haar lange, golvende donkere haar. Toen zag ik die rode haarlok, die felrode haarlok aan de rechterkant van haar hoofd, voor het eerst. Er ging een rilling over mijn rug, die halverwege mijn rug de voorkant van mijn torso ook omklemde en verder afgleed naar beneden. Om te eindigen bij mijn ballen, die als walnoten in een notenkraker werden vastgeklemd. Vlak voordat ze ging zitten, zag ik meer van haar. Een witte, als het ware satijnen tuniek, die getailleerd was. Aan de randen van de mouwen en de onderkant van dit jurkje zat een marineblauwe streep. Haar linkerschouder was ontbloot, en haar goedgevormde, geproportioneerde borsten en billen balden fier door de kleding heen. Ze keek heel vluchtig doch lang genoeg om mij op te merken. Onze blikken kruisten elkaar, waardoor zij moest blozen en glimlachte ontwapenend. Mijn mannelijkheid reageerde onmiddellijk, alsof zij niet in mijn ogen had gekeken maar naar mijn kruis, en wierp zich meteen op als steigerende dekhengst eersteklas. Ik was verkocht, en verloren tegelijk.
Twee haltes later stapte ik uit, en liep langs de tram richting de Oude Binnenweg. Toen ik haar gepasseerd was, voelde ik haar blik op mijn rug branden. Hoewel ik verschrikt verder wilde lopen, stopte mijn lichaam abrupt. Het zweet brak me aan alle kanten uit, maar voordat ik het wist had ik me omgedraaid en stond ik oog in oog met haar. Weer gaf ze me die ontwapenende glimlach, waardoor ik overmand werd door gêne, geilheid, euforie en diepe schaamte. Schaamte, omdat ik merkte dat ik zo hard zweette dat het niet anders kon dat ik steeds groter wordende zweetplekken onder mijn oksels en op mijn borstkas opliep. Zij bloosde, ik steigerde en werd in diepe verlegenheid gebracht. Mijn god, ik durfde niet te kijken en toch deed ik het. Zelfs toen de tram weer begon te rijden. Zij keek mij na, ik haar. Wat wilde ik haar graag hebben. Liefhebben. Binnendringen. Beminnen en aanbidden. Maar vooral binnendringen, want elk zwaard moet worden opgeborgen in een schede. En de uitnodiging was gegeven. Maar wie ze was, wist ik niet. Of waar ze naartoe ging. Wat ze ging doen. Wat zou er in haar tas zitten? Welke geheimen, fantasieën gaan er schuil achter die lichtbruine kijkers? En waar kan ik me douchen? Ik voel me vies. Kiplekker vies.
[Wordt vervolgd]
Labels:
fictie,
Miguel Santos,
nieuw,
proza,
verhaal
maandag 5 juli 2010
Balen
Als schrijver zou je continu bezig moeten zijn met het schrijven van iets, het bedenken van iets of het voordragen van iets. En als het dan eenmaal af is, wil je weten wat anderen ervan vinden, althans ik wel in ieder geval. Daarom doe je een poging om het te kopiëren en te plakken vanuit het Word-bestand naar, zoals hier het geval is, een blog.
Helaas werkt het medium waar je het geschrevene op wilt plaatsen, om te laten lezen aan iemand, niet mee. En dus ben je genoodzaakt om je overvolle mailbox maar eens te bekijken en te schrikken van de hoeveelheid ongeopende mails. En dat is op het moment suprème gewoon balen. Geen idee of dat een bijgevolg is van het pogen een schrijver te zijn of te worden, maar leuk is het in ieder geval niet. Het was leuker geweest als ik het verhaal dat ik zojuist voltooid heb in de wereld kon gooien, om vervolgens zouteloze kritiek te ontvangen van hoe slecht het wel niet is. Of een lofzang, hoe goed dit is. Het maakt me in beide gevallen weinig uit. Ik blijf toch wel schrijven, want ik heb inmiddels alle ruimte om dat te doen. To write or not to write is allang geen optie meer. Mocht je het verhaal 'De geur van falen' willen hebben: de schrijver van tegenwoordig heeft opslagruimte en een emailadres!
M.S.
Helaas werkt het medium waar je het geschrevene op wilt plaatsen, om te laten lezen aan iemand, niet mee. En dus ben je genoodzaakt om je overvolle mailbox maar eens te bekijken en te schrikken van de hoeveelheid ongeopende mails. En dat is op het moment suprème gewoon balen. Geen idee of dat een bijgevolg is van het pogen een schrijver te zijn of te worden, maar leuk is het in ieder geval niet. Het was leuker geweest als ik het verhaal dat ik zojuist voltooid heb in de wereld kon gooien, om vervolgens zouteloze kritiek te ontvangen van hoe slecht het wel niet is. Of een lofzang, hoe goed dit is. Het maakt me in beide gevallen weinig uit. Ik blijf toch wel schrijven, want ik heb inmiddels alle ruimte om dat te doen. To write or not to write is allang geen optie meer. Mocht je het verhaal 'De geur van falen' willen hebben: de schrijver van tegenwoordig heeft opslagruimte en een emailadres!
M.S.
Abonneren op:
Posts (Atom)
